Jan is een man die in een mooi huis woont. Het huis heeft een grote tuin en een klein balkon. Elke ochtend begint Jan zijn dag in de keuken. De keuken is modern en het licht komt door het grote raam. Hij pakt het brood uit de kast en een appel uit de koelkast. De koelkast is nieuw en maakt bijna geen geluid. Hij maakt het ontbijt klaar op de grote, houten tafel. De tafel staat midden in de kamer. Jan eet een boterham met kaas en drinkt een glas melk. Het glas staat op een onderzetter. Terwijl hij eet, leest hij de krant. Het nieuws in de krant is vaak interessant, vooral het sportgedeelte.
Na het ontbijt gaat Jan naar zijn werk. Het kantoor is niet ver van zijn huis. Hij pakt zijn jas van de kapstok en de sleutels van het kastje. De sleutels liggen altijd op dezelfde plek bij de deur. De deur van het huis is stevig en blauw geverfd.
's Avonds komt Jan weer thuis. Hij is vaak een beetje moe. Hij zet de televisie aan en kijkt naar het journaal. Het programma na het journaal is meestal een film. Hij zit op de bank en ontspant. De bank is grijs en heel comfortabel. Soms leest hij een boek. Het boek dat hij nu leest is erg spannend. Voordat hij naar bed gaat, kijkt hij nog even naar buiten. De maan schijnt en de sterren zijn helder. Dan gaat hij naar de slaapkamer, doet zijn pyjama aan en doet het licht uit. Het bed is zacht en warm, en hij slaapt bijna altijd direct. Het was weer een normale, rustige dag in het leven van Jan.
Doorloop 3 stappen in deze volgorde: woorden, grammatica, dan vragen in examenvorm.