Sarah komt thuis en heeft honger. Ze wil een boterham maken in de keuken. Maar eerst kijkt ze naar haar handen. Ze zijn een beetje vies, want ze is net buiten geweest. Sarah weet: schone handen zijn belangrijk.
Ze loopt naar de wasbak. Eerst maakt ze haar handen nat met water. Daarna pakt ze zeep en wrijft goed: tussen de vingers, op de handrug en onder de nagels. Ze spoelt de zeep af met schoon water. Tot slot droogt ze haar handen met een schone handdoek. Nu zijn haar handen schoon, en kan ze rustig haar boterham maken en opeten.
Work through 3 steps in order: words, grammar, then exam-format questions.